bovagkeurmerk

040-2076588

Griekenland en Albanie

Vorig jaar gingen wij voor een reis door Griekenland heen en terug met de ferries van Ancona (Italië) naar Igoumenitsa (Griekenland) Door goede verhalen van camperaars die recentelijk een reis over land naar Griekenland maakten of vanuit Griekenland een bezoek aan Albanië brachten, wilden wij daar dit jaar een combinatie van maken. Dus:
Via Trieste door Slovenië, Kroatië, Bosnië Herzegovina, Montenegro en Albanië naar Griekenland!
Omdat we in de jaren ’70 en ’80 met ons eerste campertje meerdere vakanties door Joegoslavië hebben gereisd - en dan meestal doorreden naar Griekenland of Turkijë kennen we het gebied. Van de autoput in het oosten tot de kustweg in het westen en alles daar tussenin hebben we doorkruist. Het reizen was toen niet altijd comfortabel, in het binnenland was het soms ronduit pionieren om de wegen te berijden, of om een slaapplaats en levensmiddelen te vinden. De mensen waren niet altijd hulpvaardig en vriendelijk. Albanië was nog een ontoegankelijk land en toen we ongemerkt een keer in Kosovo terechtgekomen waren, moesten we onder politiebewaking z.s.m. het land verlaten. Maar het was geweldig en boeiend om er te zijn en in onze herinneringen valt het onder de beste camperreizen die we gemaakt hebben. Door de oorlogsjaren op de Balkan en alles wat daar aangericht is, dachten we er nooit meer naar terug te gaan. We koesterden onze herinneringen! Uiteindelijk werden we toch nieuwsgierig en besloten we tot deze reis.

Boeken en reisgidsen uit de openbare bibliotheek en informatie van het internet zijn de basis bij de voorbereidingen. Toch blijft het spannend want informatie over camperreizen door Albanië is beperkt en menigeen die we erover spreken, vraagt zelfs of we wel door dat land durven reizen!
Door afspraken die we eerder met vrienden in Griekenland hebben vastgelegd zijn we beperkt in de tijd van de heenreis. Daarom besluiten we om bij deze hernieuwde kennismaking zoveel mogelijk langs de kust te blijven rijden.
Het wordt het geweldigste deel van de hele reis! We vertrekken op 21 april, 2 mei komen we in Griekenland aan en 4 juni zijn we weer thuis.

Bijna 40 jaar reizen we met een camper en maar weinig reisroutes gaan over de grote autowegen. Lange autoritten maken we zelden, onderweg is het genieten van waar we bewust of toevallig langskomen. De eerste dag wandelen we dus ‘s middags met onze hond in de omgeving van camperplaats La Porte d’Alsace in Chavannes sur L’Etang (Frankrijk, prima CP langs de RD419) De volgende dag is wel een lange rit van Chavannes tot Vicenza in Italië. De auto(tol)wegen door Zwitserland en Italië zijn goed en ondanks hier en daar wat oponthoud door de vele wegwerkzaamheden zijn we ruim voor donker in Vicenza op Parking Interscamboi Centrobus met camperplaatsen en camperservice (euro 8.40 voor 24 uur) Een goede plek voor een overnachting, maar wel lawaaiig door passerende auto’s en treinen). TIP: volg de A 4 boven Milaan naar Vicenza

Het bezienswaardige centrum van Vicenza is nauwelijks 10 minuten lopen. Dag drie beginnen we dus met een stadsbezoek. Er is een stadswandeling bij het toeristenbureau te verkrijgen. Die gaat door mooie en gezellige, deels autovrije straten en pleinen met schitterende renaissance gebouwen, Palazzo’s en mooie parken. Het Piazza dei Signori, met de monumentale Basiliek van architect Palladio (16e eeuws), het Belfort en vele restaurants en terrassen, is het middelpunt van deze stad van Paleizen. Een aanrader is het bekijken van Villa La Rotonda en het Teatro Olimpico, beide ook van Andrea Palladio. Als je geluk hebt kun je in het theater een kleurrijke voorstelling zien. Na een late lunch met Italiaanse hapjes rijden we daarna in een paar uur over de tolwegen naar Trieste waar we net iets te vroeg aankomen op de camperplaats in Miramare (N.W. van Trieste) om een goede plek voor de camper te vinden. We betalen 3 euro om de camper voorlopig tussen de vele personenauto’s van de bezoekers van het park en het kasteel te parkeren. Daardoor hebben we een paar uur om de tuinen te bezichtigen en als na 19.00 uur de meeste auto’s vertrokken zijn, komt er ruimte vrij om onze camper op 1 van de plm. 10 officiële camperparkeerplaatsen te zetten. Het is een prachtige plek aan zee, waar we tot 8 uur ’s morgens -gratis- kunnen overnachten. De volgende morgen vroeg verkassen we eindje om langs de weg te ontbijten en daarna verder te gaan.

Omdat het zondag is kunnen we rustig door Trieste rijden om nog wat van de stad te zien, daarna klimmen we door de bergen richting Slovenië. Vanaf nu zijn de wegen aanzienlijk ‘landelijker’ en de omgeving is ‘puur natuur’ De regenbuien die we eerdere dagen nog wel eens hadden zijn verdwenen en de zon schijnt heerlijk. Dat wordt wisselen van kleding!

Voor we het weten zijn we bij de grensovergang Kozina. Over een goede weg rijden we door het groene bergachtige Sloveense landschap. In het eerstvolgende dorp gaan we tanken en boodschappen doen en kunnen daar met pinpas betalen. Het assortiment in de supermarkt doet niet onder voor de winkels in Nederland. We kopen streekprodukten waar we later bij de lunch van genieten. Na een klein uur rijden we bij Rupa Slovenië al weer uit. Bij het grenskantoor wisselen we 100 euro en krijgen 710 Kroatisch kuna. Als we Kroatië inrijden valt het meteen op: de wegen en de huizen zijn aanzienlijk verbeterd!

Na een aantal kilometers kijken we tenminste onze ogen uit bij de hoge viaducten en brede wegen die al klaar of in aanleg zijn in de bocht van Rijeka. De bewegwijzering is goed! Deze auto(tol)wegen betekenen aanzienlijk betere verbindingen en veel tijdwinst t.o.v. de jaren vóór de Balkanoorlog. Toch rijden wij de oude, bekende kustweg (E65) die ook verbeterd is en waar nu minder verkeer is dan wij ons herinneren. We passeren bekende plaatsen (Krk, Cres, Cricvenica, Senj, e.a.) en halen herinneringen op. En we zien hoe vervallen dorpjes, verwaarloosde huizen en onderkomen gebieden van toen, veranderd zijn in witte en kleurrijke gerestaureerde of nieuwe woningen en villa’s. We ontmoeten mensen die vriendelijk zijn en graag een praatje maken. Sommigen vertellen ons dat het er hier langs de kust wel goed uitziet , maar dat landinwaarts de sporen van verwoesting en armoede nog zichtbaar zijn en dat veel huizen en dorpen onbewoonbaar of verlaten zijn. Ondanks de nieuwbouw met veel hoogbouw, is het uitzicht op de vele eilanden en de bergen mooi gebleven!

Na vele kilometers (max. 70 km per uur) rijden we vroeg in de middag bij Starigrad/Paklenica naar Camping Pisak*, een kleine goedverzorgde minicamping. Daar koesteren we ons in de warme zon, maar voelen al snel dat het zeewater te koud is om te zwemmen. Tegen de avond zien we de rode zonnegloed prachtig over de bergen van het Nationaal Park Paklenica gaan. De late avonden en nachten zijn hier nog kil en we zijn blij dat we fleecedekens bij ons hebben waarin we tot middernacht buiten kunnen zitten. We zijn 1622 km van huis.

Dag 5 rijden we naar Zadar waar we zien hoe het kleine romantische stadje in een grote moderne stad is veranderd. Bij de mooie, grotendeels vernieuwde haven met ontelbare -luxe- jachten en vrachtschepen vinden we een parkeerplaats. Aan de overzijde van het water staan hoge flats en veel bedrijfsgebouwen. We lopen door de poort van de oorspronkelijke Romeinse stadsmuur de historische stad in. Het oude deel van de stad bleef in de Balkanoorlog grotendeels gespaard. De vele middeleeuwse kerken zijn nu echter omsloten door modernere gebouwen en winkelstraten. Naast het Archeologisch museum (helaas zijn bijna alle teksten in het Kroatisch) staat de Mariakerk met de Romaanse klokkentoren en de bijzondere voorgevel. Er schuin tegenover staat een van de mooiste Byzantijnse bouwwerken van Dalmatië: de Sint-Donatuskerk (9e eeuw) met daarnaast de klokkentoren van de Anastasiakathedraal (12e-13e eeuw) Op het plein (het Forum) liggen de Romeinse ruines tussen de terrassen en toeristenkraampjes met o.a. de felgekleurde Balkankleden en veel weef- haak- en borduurwerk. De zon wordt erg warm, de temperatuur loopt op en onze hond zoekt de schaduwplekken van de zuilen en brokken van de opgravingen en laat het bezichtigen aan ons over. Er is veel gerestaureerd, sommige gebouwen en kerken zijn met zeilen afgedekt of staan in de steigers. In de stadsmuur en op woningen zien we her en der kogelgaten en ingestorte muren en daken. Dit beeld, de mix van restauraties, nieuwbouw, uitbreiding en oorlogsverwoestingen zien we door heel voormalig Joegoslavië. In de kustgebieden overheersen echter opbouw en modernisering. Bijna elk dorp of stad aan de kust heeft een jachthaven en toeristencentra.

Na het bezoek aan Zadar staan we voor de keus om de meer landinwaarts gelegen autoweg (A1) te nemen of de kustweg (E65) te blijven volgen. We kiezen weer voor de kustweg. Deze rit duurt veel langer dan de snelweg en begint op een gegeven moment toch eentonig te worden. Het stuk tussen Zadar en Sibenik is minder druk bevolkt en we komen nauwelijks auto’s en mensen tegen. We stoppen niet in Sibenik, maar als we door de stad rijden zien we een zelfde beeld als in Zadar: een stad met een duidelijk verleden, heden en toekomst! Een stop om Primosten, het stadje in zee, te bekijken is de moeite waard. Wij stoppen ook in Trogir, één van de mooiste steden in Kroatië en dat op de Werelderfgoedlijst van Unesco staat. Het toerisme is hier duidelijk aanwezig. We zetten onze camper -te snel- op een dure parkeerplaats aan de haven (35 kuna voor 2 uur) [Later zien we dat er verderop, buiten het toeristencircuit, aanzienlijk betere en goedkopere mogelijkheden zijn. We wandelen de brug over en dwalen een paar uur door het oude stadje met veel renaissance- en barokke gebouwen. We herkennen huizen en plekjes, die onveranderd lijken te zijn, andere gebouwen zijn mooi gerestaureerd. In het historische centrum is eigenlijk weinig veranderd. De sfeer is als vroeger, er heerst een serene rust. Als we bij de St.Laurentiuskathedraal komen met o.a. het indrukwekkende Romaanse portaal uit 1240 en vandaar door de zuidelijke stadspoort naar de Riva (de zeeboulevard) en het fort lopen lijkt het alsof we niet lang zijn weggeweest! Omdat het laat in de middag is wordt het gezellig druk in de straatjes, waar overigens meer restaurants, terrassen en boetiekjes zijn dan toeristen. Net voor het aflopen van de parkeertijd verlaten we Trogir. En al snel zien we voor en naast ons de vele drukke wegen, industrie, nieuwe hoge flatgebouwen en de restanten van de kale communistische woonblokken van Split liggen. Wat een hectische stad is dit geworden! Na jaren van armoede en geweld zal het voor de bewoners wellicht van veel verbetering zijn. Wij bewaren liever de herinneringen aan het Split van vroeger. Een bezoek aan het historische Split met o.a. de restanten van het paleis van keizer Diocletianus (3e eeuw na Chr.) is een aanrader. Het wordt snel donker en we gaan op zoek naar een slaapplaats. De camping aan de zuidkant van Split staat ons niet aan omdat er veel lawaai is. Helaas lijkt het daarna alsof er nog geen toeristen zijn, de campings die we tegen komen zijn gesloten! Even voorbij Omis en net vóór de tunnel rechtsaf in Lokva Rogoznica komen we bij autocamp ‘Sirena’ en het gehele jaar geopend is. Het is een goede, mooi gelegen camping met staanplaatsen op terrassen van hoog tot laag naar zee, met magnifiek uitzicht op het eiland Brac en de rotsen van de kust. We worden hartelijk verwelkomd door de enthousiaste eigenaar Milan en zijn dochter Maria die Vlaams/Nederlands spreekt. Milan helpt ons om op het mooiste plekje van de camping te komen, het kost een beetje moeite om de hellingen en bochten te rijden, maar het resultaat nodigt uit om er dagen te blijven! ’s Avonds worden we verwend met een heerlijke maaltijd (buiten het seizoen is er een goed dagmenu, ‘s zomers een uitgebreide kaart) Daarna wordt het een feestje bij de openhaard met lokale muziek, zang en dans. Er is een drietal muzikanten en zangers en er wordt verwacht dat wijzelf ook meespelen op instrumenten uit de grote muziekkist. Milan is een geweldige gastheer en dirigent! Jammer dat wij hier niet kunnen blijven, onze tijd begint te dringen, uiterlijk 5 mei moeten we op camping Bacchus in Lavrio (Griekenland) zijn. Daar gaan we met medeverzamelaars mineralen zoeken.

De volgende dag direct na het ontbijt vertrekken we. Vroeg in de morgen zijn we nog naar het strand gegaan om te zwemmen, maar na de koude nacht was het zeewater ijzig koud. Dat is een nadeel van een vakantie in het voorseizoen.

We naderen de grens van Bosnië en Herzegovina. De autoweg is hier nog niet helemaal klaar en het wordt drukker op de lokale kustweg. We passeren de delta van Metkovic, een grote vlakte met rivierstromen, kanalen en landerijen. Langs de weg staan nog steeds veel stalletjes met het heerlijkste fruit en verse groenten. Bijna ongemerkt passeren we de grensovergang Neum, een snelle blik op onze paspoorten door de Bosnische douane is alles. De open verbinding naar zee die dit land (strategisch) heeft, is slechts enkele kilometers breed. Er is een nieuwe stad gebouwd met villa’s, vakantiehuizen en hotels en er zijn mooie kleine (zand)stranden met jachthaventjes. Ooit kwamen wij vanuit Sarajevo en Mostar over smalle bergwegen hier naar de zee. Nu is er één rechte kustweg en is er een autoweg in aanleg.

Na de grensovergang Topolo komen we in het smalste stuk van Kroatië en rijden naar de prachtige stad Dubrovnik (staat ook op de Werelderfgoedlijst) De oorlogsschade is goed hersteld. Het grootste deel van de oude stad (Stari Grad) ligt op een schiereiland en heeft prachtige stadsmuren, paleizen, kerken en kloosters, huizen met balkonnetjes en veel planten en bloemen. Het ziet eruit als een openlucht-museum. Vanaf de hoge kustweg, bekijken we “de stad met nieuwe daken” (in 1991/92 is er hevig gevochten) We nemen ons voor om bij een volgende reis de van oorlogsschade herstelde stad weer eens te bezoeken.

(NB. Buiten het hoogseizoen zijn er in de stad goede mogelijkheden om met een camper te parkeren)
We naderen Montenegro. Omdat het in Kroatië gemakkelijk is om met de wereldpas te betalen hebben we nog aardig wat kuna’s over. We vullen de dieseltank (7,81 kuna voor 1 liter) en in het allerlaatste levensmiddelenwinkeltje voor de grens kunnen we goed inkopen doen.

Aan het eind van de E65/E80 is de grensovergang, daar gaat de Kroatische uitreis snel, de douane van Montenegro heeft meer tijd nodig. Onze paspoorten en autopapieren gaan van hand tot hand, we krijgen stempels in de paspoorten en er worden vragen gesteld over de autoverzekering. Als alles in orde is en we bij een volgend gebouwtje komen moeten we nog 30 euro milieubelasting betalen. In de reisinformatie van de ANWB hebben we gelezen dat er €10 gevraagd wordt, maar ze gaan er vanuit dat je minstens 3 dagen in het land blijft en dat het dus €10 per dag is! Vergeleken met Kroatië komen we in een ‘ander land’. Het is rommelig, ongeordend en er ligt overal afval en puin. Maar er is ook veel nieuwbouw, al is niet alles afgebouwd. De wegen zijn slecht met kuilen, hobbels, onregelmatig wegdek en soms erg smalle stukken. Regelmatig zijn er snelrijdende automobilisten die riskant inhalen. Hier voelen we meer de sfeer van het oude Joegoslavië.

Bij de baai van Kotor nemen we de ferry (€ 8,50) zodat we de mooie, maar tijdrovende weg om de bocht niet hoeven te rijden. We willen voor donker een camping vinden en die zijn er hier niet zoveel. Van een internetsite hebben we camping ‘Maslina’ in Petrovac genoteerd en die vinden we inderdaad vrij snel (borden langs de weg) Het is een aardige camping met veel vaste staanplaatsen en sanitairblokken die al jaren in renovatie lijken te zijn. Maar de douches die bijna klaar zijn, zijn heerlijk warm en het is er (op bouwstof na) schoon. De jonge beheerder is enthousiast en bereid om veel over zijn land te vertellen.
We hebben een gezellige avond met een jong Duits stel met een baby die met hun camper nogal omslachtig met de boot uit Italië en via Albanië naar hier zijn gekomen. Albanië was niet hun reisdoel, maar het land is hen wel goed bevallen.

Het is ondertussen woensdag, we zijn bijna een week onderweg en kiezen er weer voor om de kustweg aan te houden i.p.v. de eerder gepland tocht door de bergen naar Cetinje te rijden. We passeren Budva, waar we ooit kort na een aardbeving waren en we zien en horen dat er daarna veel is gerestaureerd, maar later in de oorlog weer verwoest is. Het grotendeels tot hotels omgebouwde schiereilandje Sveti Stefan ligt mooi en ongeschonden in zee. We rijden tot Ulcinj langs de kust, daarna gaan we door ongerepte natuur en door de bergen naar de kleine grensplaats Sukobin. De wegen zijn landelijk, smal, hobbelig en hier en daar niet of nauwelijks bestraat. Ondanks dat ook hier her en der veel afval ligt is het mooi en sfeervol. We passeren eenvoudige huisjes, kleine dorpjes met leuke winkeltjes en terrasjes waar dorpsbewoners zitten. Er staan eenvoudige moskeeën en we zien veldjes met groenten, bloeiende fruitbomen en kleurrijke bloementuintjes. Er zijn ezels, kleine paarden, schapen, geiten, koeien, honden en katten en op de weg lopen kippen met kuikens. Een enkele keer moeten we de weg vragen, want er zijn nauwelijks richtingborden en ons navigatiesysteem heeft hier geen bereik. De mensen zijn vriendelijk, maar kijken wel wat verbaasd naar ons en onze camper. Zonder borden gezien te hebben staan we ineens voor de slagbomen van de grens. Geen rij wachtenden voor ons en zonder al te veel tijd voor de formaliteiten rijden we Albanië in. Aan deze grens kunnen we geen geld wisselen.
Tot hier hebben we zo’n 2300 km. gereden.


ALBANIË
Zijn we het laatste uur al gewend aan de landelijkheid en de rust die er heersen, het wordt hier nog meer. Er staan karakteristieke boerderijen en huisjes, een kudde schapen, geiten en koeien belemmert ons de weg en we moeten aansluiten achter paard en wagen. Langs de weg staan ook haveloze huisjes waarnaast wonderwel de laatste nieuwe modellen auto’s staan. Als we de stad Shkoder inrijden is er voor de oude brug een wonderlijk rijtje huizen en schuurtjes, waarin mensen wonen en werken tussen ontzettende veel afval, puin, afgedankte auto’s en andere voorwerpen. Automobilisten, fietsers en bromfietsers rijden in alle richtingen door elkaar heen. Aan de overkant van het water zien we de burcht van Shkoder liggen, links ervan ligt de grote stad. De brug waar we over heen moeten, is een bezienswaardigheid: erg smal en van onregelmatige stukken hout en metaal in elkaar gezet. Als wij aan de beurt zijn rijden we er hobbelend en rammelend overheen. Halverwege de brug zien we dat er verderop een nieuwe brug in de maak is. We zien ook een bord met de kosten van het project en het blauwe embleem van de Eurolanden (Albanië is geen Euroland) We zetten onze camper op een smerige plek langs het water tussen een paar gloednieuwe en een paar aftandse vrachtwagens, om dit alles eens rustig te bekijken. Daarna rijden we naar het kasteel van Rozafa in Shkoder. Het kasteel is een van de belangrijkste bezienswaar-digheden. Shkoder is volgens sommige historici de oudste stad van Europa en als 4e stad van Albanië is het een belangrijk economisch centrum. In Nederland kreeg Shkoder bekendheid door het boek ”De herberg met het hoefijzer” van A. den Doolaard (1930) Het kasteel ligt op een hoge rotsachtige heuvel en het is een steile klim over een smalle kronkelige en met kasseien bestrate weg. Het kost dus wat moeite, maar het uitzicht boven is fantastisch. Je kijkt over het Meer van Shkoder richting Montenegro en tot de Adriatische Zee. Diep beneden ligt de vervallen

Loden Moskee (1768) in het vlakke moeras. De fundamenten van de burcht zijn erg oud, de muren en gebouwen die er nog staan dateren echter voornamelijk uit de Venetiaanse en Turkse tijd. Leuk was het dat er bij ons bezoek een groep basisschoolleerlingen een toneelspel opvoerde (compleet met klederdracht en authentieke attributen)

Een korte rondrit door de stad viel ons tegen, het is een rommelig geheel met slechte straten en vervallen hoogbouw en verwaarloosde huizen met daar tussenin opvallende nieuwbouw. Er wordt hier veel gefietst. Bij de nieuwe moskee staat in het kleine park een beeld van moeder Theresa. De Marubi-fotocollectie is een opmerkelijke Albanese culturele schat in de Fototheek van Shkoder. Omdat we nog geen geld hebben kunnen wisselen betalen we met euro’s. Dat is op zich geen probleem want euro’s worden -bijna- overal geaccepteerd, maar de koers is vaak onvoordelig.
De dreigende onweersbuien zijn verdwenen en voordat we Shkoder verlaten verkleden we ons weer eens. Om ons heen zien we tijdens deze reis regelmatig mensen in lange broeken, truien, vesten of zelfs winterjassen en met dassen en mutsen lopen. Voor hen is de zomerkleding blijkbaar nog niet uitgepakt.

We zoeken naar de hoofdweg richting Tirana: SH1/E762, er is weinig bewegwijzering dus dat wordt weer zoeken en vragen. Uiteindelijk gaan we voor de derde keer langs het kasteel en verlaten zo de stad. Het wordt een saai stuk weg dat echter allerminst saai is door het gevaarlijke rijgedrag van sommige automobilisten. Zou dat mede de reden zijn waarom we zoveel autosloperijen en autowasserijen langs de weg zien? Als het ons even wat te veel wordt, stoppen we op de inrit van een timmerbedrijf, want behoorlijke parkeerplaatsen (en café’s of restaurants) zien we hier niet. Onze hond moet nodig uitgelaten worden en bovendien is het allang lunchtijd geweest en hebben we razende honger. Na de korte stop rijden we verder en al gauw passeren we Barbullusch waar we de borden van ‘camping Albania’ zien staan. Dit is een van de weinige campings die er in Albanië zijn. De camping wordt beheerd door de Nederlandse familie Wesselingh en lijkt een goede plek om te overnachten. Maar voor ons is het daarvoor nog te vroeg en we rijden door. We gaan naar Kruja wat een aardig bergstadje moet zijn. Dus: van de redelijk comfortabele hoofdweg af. De klim naar het stadje is lang en hoog, met veel bochten en de laatste kilometers gaan over een stralende witte zand- en gruisweg, wat erg stoffig is door wegwerkzaam-heden. Volgend jaar is de weg wellicht geasfalteerd
Boven in het stadje kunnen we de camper kwijt op het centrale plein, pal onder het beeld van Skanderberg, de held van Albanië (15e eeuw) Er komt wel gauw iemand die 3 euro vraagt om de auto te bewaken. Door de oriëntaalse bazaar met authentieke huizen en winkeltjes met mooi handgemaakte producten van hout, zilver, wol en stof, maar ook met veel prullaria, kun je naar de restanten van de oude burcht en opgravingen van de Illyrische stam (de oorspronkelijke stam van de Albanezen) omhoog lopen. In een uniek ingerichte oude woning van een pasja (koopman) is het Etnografisch museum gevestigd. Om levensmiddelen te kunnen kopen wisselen we geld in een van de vele wisselkantoortjes die hier zijn: 1 euro = 137 lek.
Als we daarna een brood kopen in een authentieke bakkerij willen familie, vrienden en buren op de foto met onze hond. Een hond als huisdier is hier uitzonderlijk, veel Albanezen zijn bang van honden.

Zoals we gekomen zijn gaan we weer terug naar de hoofdweg (SH1/E762), dat betekent dus nog een keer stofhappen en de ramen potdicht houden. Gelukkig zijn de wegwerkers naar huis dus kunnen we nu in één keer naar beneden doorrijden. Eenmaal op de hoofdweg wordt het tijd dat we een slaapplaats gaan vinden. Je kunt in Albanië vrij overnachten maar het is natuurlijk wel zaak om dat op een prettige en veilige plek te doen. Het laatste stuk naar Dürres gaat over een snelweg en dat is na alle wegen die we sinds Italië gehad hebben, ongekend prettig rijden (op de snelweg rijden opvallend veel grote en nieuwe auto’s, vooral Mercedes, Audi, BMW en SUV’s zijn favoriet). We zijn moe en Dürres lijkt ons leuk om te overnachten. We kijken eerst of er een plekje is bij de antieke opgravingen, maar die liggen te veel in de stad. Daarom rijden we naar de boulevard, aan het eind daarvan is het een grote ravage. Enkele dagen geleden is door hevige regenval een deel van de berghelling naar beneden gestort. Wegdek, huizen en winkels zijn nog bedolven onder puin en modder. Net iets buiten het centrum vinden we later een prima plek waar we kunnen overnachten. We staan direct aan zee en naast het wandelgebied en de restaurantjes. Nog voor donker wandelen we met de hond langs zee en op de betonresten van platvormen, waarop in de communistische tijd uit angst voor invasies, de verdedigingsgebouwen en geschutsmaterialen hebben gestaan. Tegen donker en tot laat in de avond genieten we van de ‘xhiro’, de avondwandeling ofwel de pantoffelparade van de Albanezen. De mensen zijn bescheiden en vriendelijk, een enkeling maak een belangstellend praatje met ons. Ook hier trekt de hond veel aandacht en gelukkig voor hem komt er zo nu en dan een (aangelijnd) hondenvriend- of vriendinnetje langs. Ondanks dat het nog lang onrustig bleef hebben we goed geslapen en gaan we de volgende morgen vol verwachting Dürres verkennen. Een bezoek aan het vlakbij gelegen Archeologisch Museum is kort maar boeiend. Er is een mooie collectie voorwerpen uit de Griekse, Romeinse en Byzantijnse tijd met goede informatie, ook in het Engels. Veel materiaal ligt echter nog in de depots, door geldgebrek kan het niet geëxposeerd worden. Omdat de camper pal in de zon staat willen we dichter bij het centrum een schaduwplek zoeken. Maar van een hoofdstraat een woonwijk inrijden is niet altijd zo’n slim idee, merken we ook nu weer. Enkele meters na het inrijden houdt in veel gevallen de bestrating op en wordt het een zandpad met kuilen en bulten. Of zoals nu een modderpad omdat er spontaan water (afvalwater?) naar beneden loopt. Het rioleringssysteem is hier nog lang niet goed georganiseerd. Uiteindelijk staat de camper toch op een redelijk schaduwrijke plek, waar we ook nog eens makkelijk van weg kunnen rijden. We wandelen door de poort van de restanten van de Byzantijnse stadsmuren en het Fort van Dürres en gaan naar het Romeinse amfitheater, waarvan slechts een deel is opgegraven omdat er huizen bovenop zijn gebouwd. Het is ondanks dat indrukwekkend door zijn grootte en de vele catacomben en mooie mozaïeken in de restanten van een ondergrondse kerk. Verder zijn er in de stad overblijfselen van een Byzantijns forum (5e eeuw voor Chr.) en een Romeins badhuis en wat oude woonhuizen te zien. De bebouwing is ook hier weer rommelig. Gloednieuwe hoogbouw voor bedrijven en wonen, oude patriarchale woningen en vervallen huisjes en troosteloze flatgebouwen staan naast elkaar.

De rr Tregëtare is één van de mooiste straten. Als je vanuit de stad naar de zuidelijk gelegen stranden wilt, moet je eerst door het rommelige haven- en industriegebied rijden. We herkennen in Dürres niet het beeld dat vaak geschetst wordt van het arme land Albanië.
Na de lunch rijden we, weer over de snelweg, naar Tirana. We hopen er voor de middagdrukte te zijn. Maar dat pakt anders uit. Het is er verschrikkelijk druk. Je vraagt je af waar al die auto’s vandaan komen. In elke zijstraat staan rijen auto’s te wachten om op de hoofdstraat te komen en op kruispunten loopt het verkeer muurvast. Aan het vinden van een parkeerplaats hoef je al niet eens te denken! Bovendien rijdt of staat iedereen daar waar hij of zij maar een gaatje vindt, dus je moet ook nog erg alert blijven om niet onaangenaam verrast te worden. De plattegrond is niet te volgen want in deze hectiek kun je geen straatnaam vinden. De bruine bordjes met bezienswaardigheden zijn alleen te voet te volgen. En wat voor auto’s geldt, geldt ook voor mensen. Er zijn enorm veel mensen in Tirana! Vooral jongeren zien we, veel studenten maar ook jongelui die tussen het autoverkeer met een bak of mand met koopwaar lopen. Over het algemeen zijn de mensen goed gekleed. Opvallend is dat er hier mooi verzorgde en schone straten en boulevards zijn met grote huizen en gekleurde flatgebouwen. Er zijn groene en boomrijke stroken en parkjes met bloemen en waterpartijen. De laatste tien jaar heeft de stad beslist een metamorfose ondergaan. Toch zijn woningbouw, riolering- en energievoorziening niet toerijkend. Dit komt mede door de grote toestroom van Albanezen die vanuit landelijke gebieden het geluk in de hoofdstad komen zoeken. Na in een flits een aantal belangrijke bezienswaardigheden te hebben gezien -Nationaal theater, Opera, musea, Cultuurpaleis, winkels en kantoren, regeringsgebouwen, moskeeën, universiteitsgebouwen en het Skanderberplein en Moeder Theresiaplein - besluiten we Tirana te laten voor wat het is en het op een volgende reis beter te plannen.

We verlaten Tirana door een groen en bosrijk gebied en zijn de warmte en de drukte van de hoofdstad snel vergeten. Maar ook nu is het moeilijk om een plekje te vinden om te eten. We rijden dus langer door dan we willen, de hond wordt ongeduldig en net als de nood hoog is zien we een schaduwrijke plek, waar wel veel rotzooi ligt maar waar wij goed naast kunnen staan. Daarna gaan we naar Elbasan, van oorsprong een oude Romeinse stad aan de Via Egnatia. In de communistische tijd was er in Elbasan een belangrijke staalfabriek waarvoor veel arbeiders nodig waren. Nu heerst er grote werkloosheid en de meeste jongeren zijn weggetrokken. Op het eerste gezicht oogt de stad dan ook als een troosteloos geheel maar het oude Oriëntaalse centrum met het Fort van Elbasan, de Koningsmoskee en De orthodoxe Kerk van de Heilige Maria, is leuk om te bewandelen. Buiten de stadsmuren liggen de restanten van een badhuis uit de Turkse tijd (17e eeuw). En in een wat verwaarloosd park vind je her en der zuilen, fundamenten en muren uit vervlogen tijden. Leuk is dat daar veel kinderen spelen en (vnl. oudere) bewoners op de bankjes zitten en graag een praatje met je maken. Er zijn in de buurt aardige restaurantjes, opvallend is dat er veel hamburgertentjes zijn. In dit park hebben we een kraan gevonden om water in te nemen. In Elbasan kun je in de brede winkel- en woonstraten rondom de stadsmuur goed overnachten. Na het kopen van drinkwater en fruit rijden we echter Elbasan uit en gaan terug naar de hoofdweg (SH3/E852) richting kust. Bij Rrogozhinë denken we een hoek af te slaan naar de SH1/E762 richting Fier. Op de kaart ziet het er goed uit, maar dat pakt dus anders uit. Al snel verandert het wegdek in een opgebroken weg en even later in een zandweg. Dan is er weer een stuk goed bestraat, maar na enkele kilometers is ook dat niet meer dan een zandpad met kuilen en hobbels. De weg is smal en wordt nog smaller. Omkeren lukt niet, want naast ons is links moeras en rechts zijn er hoge zandbergen. Doorrijden dus. Er is hier helemaal niets: geen huis, geen mensen, zelfs geen schaap of geit. Wel veel mooie bloemen en planten. We komen bij een hoge brug. Het is een bezienswaardigheid waarvan we ons afvragen of die nog wel als brug te gebruiken is. Hij is zo smal dat we betwijfelen of onze camper er op kan en de planken op het roestige ijzeren onderstel wijken zover van elkaar dat het moeite zal kosten om het goede spoor te houden. De brug oogt alsof hij elk moment kan instorten. Onder ons zien we langs de rivier een bredere weg lopen maar we zien geen verbinding om er te komen. Langzaam rijden we centimeter voor centimeter de brug over, waarbij we beiden goed naar de krakkemikkige brugleuningen en bodem kijken. Naast en onder ons zien we water. Aan het eind wordt de brug iets breder en als we er overheen zijn juichen we bijna van opluchting. Maar dan zien we lager voor ons een scherpe bocht met kuilen en plassen én een naderende vrachtwagen. Zou die ook over de brug moeten? Eerst maar eens kijken of we kunnen passeren. Dat lukt, al zit de camper daarna onder dikke modderspetters. We zijn zo blij als we op een bredere zandweg komen, dat we vergeten te kijken waar de vrachtwagen gebleven is. Naast ons loopt de SH1, we moeten zien dat we daar zo snel mogelijk opkomen. Na een tiental kilometers gaat dat wonderwel gemakkelijk op een kruising. Vanaf nu kunnen we weer snelheid maken. Van een internetsite hebben we Camping’ Mali Robit’ in Golem genoteerd en daar willen we nu naartoe. Na korte tijd zijn we bij Golem, althans we zien een bord met die plaatsnaam erop en verderop in het veld een aantal huisjes. Als we de hoofdweg afrijden en aan enkele passerende automobilisten vragen waar de camping is, kan niemand ons helpen en worden we naar de nabijgelegen stad Lushnjë verwezen. Als we de stad inrijden zien we een Franse camper rijden. De eerste camper die we in Albanië tegenkomen!! “Vast ook op zoek naar de camping”, denken wij en we rijden er achteraan. Lushnjë is een totaal andere stad dan wat we eerder hebben gezien. Laten we het maar landelijk en authentiek noemen. De wegen zijn erbarmelijk slecht en onoverzichtelijk, er zijn veel onverzorgde en vervallen huizen, het is er rommelig en vies. Misschien zoals velen zich Albanië voorstellen? Als we na een korte achtervolging achter de Franse camper stoppen en we elkaar spreken blijkt inderdaad dat zij ook een slaapplek zoeken. Ze stellen voor om bij elkaar te blijven. Voor de camping moeten we echter weer een stuk terug rijden naar de hoofdweg richting Dürres. Wij hebben geen zin om terug te gaan naar een plek waarvan je niet eens weet of die er wel is. De Franse camperaars blijven langs de weg tussen de fabrieken staan, wij rijden door naar Fier. Want de omweg naar Berat nemen we niet meer, daar hebben we geen tijd voor. Berat is zeker de moeite van een bezoek waard, dus komt op een volgende reis door Albanië beslist aan bod.

Als we na een klein uur in Fier aankomen is het donker aan het worden en vinden we niet snel een goede plek. Maar als we richtingbordjes zien met Apollonia erop weten we dat we daar heen kunnen rijden. Al is het vanuit de stad over een verschrikkelijke zand- en keienweg 12 km verder rijden dan gedacht, blijkt het een gouden greep! Langs deze weg, in de velden en tegen de heuvels aan, zien we vele bunkertjes liggen die de communistische leiders lieten bouwen om de Albanese bevolking te beschermen, maar ook om hen angstig te maken voor dreigend geweld. Deze (naar schatting 700.000) onverwoestbare bunkers liggen door het hele land verspreid, ook op plekken waarvan het strategisch belang volkomen onduidelijk is. Het is de nalatenschap van Enver Hoxha, die 40 jaar de leider van Albanië was.

Aan het eind van de weg komen we in het kleine dorpje vlak voor de opgravingen van het antieke Apollonia, een belangrijke havenplaats in de Romeinse tijd. Nu ligt de oude stad, grotendeels verborgen onder de heuvels, 7 kilometer van de zee af. Achter het lintdorp ligt onder en op de heuvels de gemeenschappelijke weide. Op het moment dat wij er aankomen worden schapen, geiten, koeien, kippen, eenden ganzen, paarden en ezels enz. opgehaald om in de stallen en hokken achter de huizen gebracht te worden. Prachtig om te zien! Als we vragen of we hier mogen overnachten is dat geen probleem, maar of we dan wel op de weide willen gaan staan, want het nauwelijks zichtbare pad moet vrij blijven voor karren en auto’s.
En zo hebben wij de meest fantastische slaapplaats van de reis. Onze hond (een Duitse Staande jachthond !) moet even wennen aan al deze dieren, maar laat het al snel over zich heenkomen dat schapen en geiten aan hem komen snuffelen.
Na de weidedieren komen ’s avonds de kikkers met hun gekwaak, de vuurvliegjes vliegen af en aan, de maan schijnt over de antieke pilaren en de bewoners roepen ons ‘goodnight’ toe. In de vroege morgen beginnen de vogels te fluiten en later worden we echt wakker als de dieren op de wei en in de heuvels gebracht worden. We genieten vooral van de jonge dieren die erbij zijn. De lammetjes, kleine ganzen op een rijtje achter de ganzenhoedster aan, de kuikentjes en de er tussendoor lopende poezen worden tientallen malen gefotografeerd.

Na het ontbijt rijden we de heuvel op naar de ingang van de opgravingen, we zijn vroeg en kunnen in alle rust genieten van het uitzicht. We maken eerst een wandeling om de opgraving heen. De hond heeft een neus voor schildpadden en blijft stokstijf stil staan als hij er weer een gevonden heeft. Er zijn veel vlinders en we zien zelfs een kleine slang. De opgravingen zijn interessant, vooral de restanten van het Romeinse theater vinden we erg mooi. In het kleine middeleeuwse klooster en in het Byzantijnse kerkje zijn vele opgegraven voorwerpen, fresco’s en iconen te zien. Helaas is ook hier in de communistische tijd veel vernield. En eerder werden in de 2e wereldoorlog veel kunstschatten naar Italië overgebracht. Met de enige monnik die in het klooster aanwezig is hebben we een lang en leuk gesprek over het Albanië van vroeger en nu (behoorlijk wat Albanezen spreken goed Engels) Als we na een paar uur op het parkeerterrein terugkomen, staan er veel auto’s en autobussen. Daartussen ontdekken we ook de Franse camperaars. Als we vertellen waar we geslapen hebben kijken ze ons ongelovig aan.

Na Apollonia moeten we weer wennen aan het verkeer op de slechte weg van Fier naar Vlorë. De weg is vlak, eerst verandert het landschap niet veel, dichterbij Vlorë krijgen we mooi uitzicht op zee. Vlorë (waar we even doorheen rijden) lijkt een aardige, moderne stad met veel nieuwe gebouwen (veelal ook met veel luxe en mooie architectuur) en veel jongeren op straat en in auto’s. In café’s en bars zijn zij de voornaamste bezoekers. Buiten het centrum zijn er vervallen woonkazernes en wegen met grote gaten. Vlorë heeft vaak een belangrijke politieke en maatschappelijke rol in het Albanese leven gespeeld. In 1912 werd er de Albanese onafhankelijkheid uitgeroepen en in 1997 begon hier de volksopstand na het ineenstorten van de piramidefondsen. Er staat dan ook een reusachtig Onafhankelijkheidsmonument (1972)) Er wordt vertelt dat de maffia er nu nog een grote, maar ongevaarlijke, rol speelt. Na Vlorë veranderen de weg en het landschap. We klimmen al snel tot grote hoogte en hebben prachtig uitzicht op de kust. De zee lijkt ver en onbereikbaar. De weg kronkelt zich om de bergen, hemelsbreed schieten we niet erg op. Hier en daar zien we nieuwgebouwde hotels staan. Deze route is schitterend maar niet aan te raden als je onderweg een duik in zee wilt nemen, want als je al een afslag ziet, moet je van de hoofdweg af een flink stuk over vnl. zandpaden naar beneden zien te komen. Pas bij Qeparo komen wij op een boulevard met een mooi zandstrand. Hier moeten we natuurlijk even stoppen om te eten en te wandelen. De hond dolt op het strand en in zee. De Albanese Riviéra wordt ontwikkeld tot een prachtig vakantiegebied. Na de zee gaan we weer snel omhoog de bergen in en passeren opnieuw mooie, bloemrijke dorpjes met veel witte huizen.
Als we Sarande naderen wordt het landschap vlakker. Sarande is een relaxte toeristenstad, voor het strand kun je echter beter naar het nabij gelegen schiereiland Ksamil gaan. Vanaf het Griekse eiland Korfoe komen er steeds meer dagtoeristen hier naar toe om een bezoek te brengen aan de archeologische site Butrint.

En dat is waar wij nu ook naar toe gaan. We ‘treffen’ het : de kustweg van Sarande naar Butrint, over het schiereiland Ksamil, wordt vernieuwd. Er ligt een dikke laag hagelwit steengruis waarop je beter maar 10 km per uur kunt rijden om niet om te komen in het stof. De rotsen rondom Sarande zijn overigens van nature ook al oogverblindend wit en schitteren in de zon. Over de Ionische Zee heen zien we Korfoe liggen en dat doet ons denken aan een langgeleden boottochtje hier ergens op zee, waarbij we te dicht bij Albanië kwamen en in de schijnwerpers en sirenegeloei gezet werden.
Na minstens driedubbele reistijd over deze opgebroken weg komen we in Butrint.
We hebben onderweg prachtige foto’s gemaakt van de ondergaande zon met de rode gloed over de bergen, maar dat betekent wel dat het tijd is om een slaapplaats te zoeken want het wordt snel donker. We zijn op een bijzonder, wat mysterieus en verlaten plekje terechtgekomen. De opgraving is gesloten en het parkeerterrein is dicht, dat is dus geen optie om te slapen. En we staan voor een smalle rivier waar een klein origineel uitziend veerpontje je over kan zetten.

Daar aan de overkant ligt een mooi Venetiaans fort, een prachtige plek om te overnachten. Het lijkt alleen een beetje eenzaam en morgen moeten we dan weer terugvaren om bij de archeologische site te komen. We varen in elk geval over, onze camper past net op het bootje. We hebben al gelijk leuk contact met de schipper.

Met bewondering bekijken we de originaliteit van de veerpont , hij heeft op 3 grote metalen drijvers en wordt bestuurd op een lang vervlogen systeem van kettingen en kabels Te snel zijn we (voor 500 lek=€ 3,60) aan de overkant. We gaan eerst naar een nabijgelegen dorpje om te kijken of daar een slaapplaats is. Hoe vriendelijk de mensen ook zijn en hoe bereidwillig ze plaats willen maken om onze camper te kunnen parkeren, kiezen we er toch voor om bij het fort te gaan staan. Daar hebben we alle vrijheid. We babbelen nog wat met schipper Skander die ons het ingenieuze overvaarsysteem uitlegt en zegt de hele nacht bij de boot te blijven en dat hij vannacht en morgen goed op ons en de camper zal passen. Hij vindt het leuk en een eer dat we naar zijn land zijn gekomen. Wij hebben eerder gemerkt dat je op deze vriendelijkheid van de Albanezen kunt vertrouwen. Dus weer slapen we op een originele plek en hebben een heerlijke nacht waarin we zo nu en dan horen roepen van de overkant en de schipper met zijn pontje overvaart. ’s Morgens maken we kennis met vrienden van de schipper en worden er koekjes uitgedeeld en foto’s gemaakt. We hebben ontdekt dat er aan de andere kant van het Meer van Butrint ook een weg naar Sarande is. Dus om even 9 uur laten we de camper staan en varen met de hond naar de overkant. Daar beleven we een paar mooie uren. De muren en opgravingen in Butrint zijn schitterend en doen werkelijk niet onder voor opgravingen in Griekenland en Turkije. Het gebied is overschaduwd door bomen en het is er heerlijk wandelen. In het museum is een mooi opgestelde tentoonstelling met goede bijschriften in het Engels. Als we de site verlaten staan er veel touringcars op de parking en we zien nu voor het eerst ook buitenlandse toeristen. Ver na 12 uur gaan we met het pontje over het Vivarikanaal terug naar de camper.

Daar vinden we deze omringt door een kudde koeien met kalfjes en daarachter staat een aantal geiten. Als dat niet landelijk is……. We lunchen buiten en zien de vissers in het kanaal en op het meer de ene na de andere vis vangen. Helaas moeten wij nu toch snel verder reizen, het is zaterdagmiddag en maandagmiddag willen we in Lavrio zijn. De terugreis aan de andere kant van het meer is nog mooier dan de heenreis en de grotendeels nieuw aangelegde weg is een genot om te rijden. Over deze weg zullen in de toekomst de grote touringcars naar Butrint kunnen rijden, maar dan zal de situatie bij het fort en de veerpont wel drastisch veranderen. Als we even aarzelen of we de weg goed volgen stopt er direct een auto met een jong Albanees stel. Ze gaan voorop rijden en bij de hoofdweg worden we enthousiast uitgezwaaid. We rijden richting Gjirokaster. De weg heeft veel bochten en is behoorlijk druk. Later merken we dat de Albanezen deze dag massaal gaan picknicken langs de schaduwrijke weg. Bij diverse waterbronnen wordt volop water ingenomen (met het parkeren kijken ze dan niet zo nauw, zodat er gevaarlijke situaties ontstaan). Bij de ‘Grot van het Blauwe oog’ (Syri i Kaltër) is het op de weg een drukte van jewelste. Wij zouden ook wel even willen stoppen maar met onze camper is dat op deze smalle bosweggetjes nu onmogelijk. We nemen wel lekker koud bronwater in. Hier en daar klimmen we behoorlijk omhoog, de natuur is prachtig met de vele voorjaarsbloemen. Na de laatste berg zien we voor ons een grote vlakte liggen. Hier gaan wij linksaf naar Gjirokaster. Door de vlakte, met de bekende bunkertjes op de velden en langs de weg veel gedenkmonumenten, is het nog een goed halfuur rijden voordat we deze bijzondere stad op zien rijzen. Het is weer klimmen om in de stad te komen. We kunnen de camper goed parkeren op een schaduwplek langs de weg. Het is jammer dat het zaterdagmiddag is. De stad is verlaten en de meeste winkels zijn gesloten. Het is erg warm en de zon brandt als we de klim naar het grootste kasteel in Albanië, de gerestaureerde Burcht van Gjirokaster maken. Van daaraf hebt je een mooi uitzicht op de stad met de opvallende grijsstenen daken, die door de steile straathellingen soms tegen andere straten aanliggen. Het wapenmuseum in de burcht geeft verkoeling. Het museum had een rijke verzameling wapens, maar na het fiasco met de beruchte piramidespelen werd in 1997 het kasteel door de gedupeerde bevolking bestormd en leeggeroofd. Wat bleef was het materieel dat niet versjouwd kon worden, waaronder een van spionage verdacht Amerikaans vliegtuig uit de koude oorlog (1957)

[In zijn boek ‘Kroniek van de stenen stad’ geeft de Albanese schrijver Ismail Kadare een goed beeld van de stad en het kasteel]
Na het bezoek aan de burcht wandelen we door de verstilde geplaveide straatjes en over de stenen trappen van de stad. Er heerst een aparte, ontspannen sfeer en er staan bijzondere kerken en moskeeën en huizen met schitterende tuinen die je vanaf de hoger gelegen straten kunt bekijken. In het gezelschap van een Engelsman, die hier de weg goed kent, maken we nogmaals een klim om een oude traditioneel ingerichte Albanese woning, het ‘Zekate House’ (particulier bezit) te bezichtigen. Het Etnografisch Museum dat ook zo’n woning heeft, was gesloten.
Rond 6 uur rijden we de stad uit, terug door de vlakte en op de kruising vanuit de bergen gaan we nu rechtdoor naar de Albanees – Griekse grens. Daar treffen we de enige norse en onvriendelijke persoon die we in Albanië ontmoet hebben: de Albanese douanier die zwijgend de formaliteiten afhandelt. Na 10 minuten zijn we in Griekenland en wacht ons nog een rit van ongeveer 600 km om onder Lavrio bij Kaap Sounion te komen. We kijken elkaar aan, een beetje spijtig dat we Albanië verlaten hebben. Het was een immense ervaring om er te zijn.
Deze route naar Griekenland is een aanrader!

Overnachtingsplaatsen: Over land naar Griekenland en door Albanië
april/mei 2010

1. FR. Chavannes sur l’Etang Porte d’Alsace Facile en route € 5,-
2. IT. Vicenza Park Interscambio Centrobus Camperplaatsen NKC € 8,40
3. IT Grignano/Trieste Miramare Camperplaatsen NKC
4. KR. Starigrad/Placvenica Camping Pisak € 14,-
5. KR. Lokva Rogoznica/Omis Autocamp Sirena kuna 120 = ± € 16,-
6. M. Petrovac / Buljarica Camping Maslina ` € 12,-
7. A. Dürres boulevard – Adriatik 2 vrije plaats
8. A. Apollonia op de weide achter het dorp vrije plaats
9. A. Butrint bij het Venetiaans Fort vrije plaats
10.GR. Katarapas in de bergen bij een restaurant
Daarna in Griekenland vrije plaatsen, op campings en in de tuin bij vrienden
De terugreis gaat met de ferry van Igoumenitsa naar Ancona

*Overnachtingsplaatsen vinden we in de Camperplaatsengids van de NKC, in de ACSI CampingCardgids (met kortingskaart in voor-en naseizoen) en in de Facile-en -route Campergids Europa. En natuurlijk op de diverse sites die op internet te vinden zijn. Ook kiezen we er nog vaak voor om zelf een leuk plekje te vinden of om af te gaan op tips van medecamperaars
*Voor Albanië hebben we de boeken van Hans van de Veen: Dominicusreisgids Albanië -2009 en uit de Landenreeks het boek: Albanië -2008 gelezen.

Jan van Daal en Janny Veldhoen
Eindhoven